Kos creëert op het platte vlak en Kanters werkt ruimtelijk, maar ze
komen elkaar steeds weer tegen in een organische vormentaal ergens
tussen realiteit en abstractie. De natuur is voor allebei - doch op geheel
eigen wijze - een belangrijke inspiratiebron en bij beiden ontstaat een
enigszins onwerkelijke, mystieke sfeer. Is het aards? Is het toch onaards?
Zou het bestaan? Of bestaat het alleen door de ogen en in het hoofd van
deze kunstenaars?